|
Lucas 15: 11-32
|
de
Bijbel
de
gelijkenis van de verloren zoon
|
|
En Hij sprak tot hen deze gelijkenis,
zeggende:
|
|
|
Een zeker mens had twee zonen.
|
|
Hoewel de
toverlantaarn tijdens zijn eerste twee eeuwen van bestaan naar het
schijnt niet vaak gebruikt werd voor religieuze toepassingen - de echte
ontwikkeling kwam pas in de tweede helft van de 19e eeuw op gang -
blijkt het wel een van de weinige toepassingen te zijn die tot ver in de
20e eeuw doorgingen. Evangelische godsdienstige groeperingen als het
Leger des Heils en in Engeland de 'Band of Hope' zagen in de
toverlantaarn een nuttig instrument voor het verluchtigen van
zondagschool-verhalen, een lezing in het kerkgebouw of een openbare
gebedsdienst. In Engeland werd zelfs een organisatie opgericht die zich
bezig hield met de verkoop en verhuur van lantaarns en religieuze platen: The Church Army Lantern
Department. Deze groepering had verscheidene soorten lantaarns in
voorraad, samen met alle bijbehorende accessoires, en vervaardigde
lantaarnplaten in aantallen van 1.000 per week. Dit resulteerde in
alleen al 175.000 platen over godsdienstige onderwerpen en daarnaast nog
een catalogus met wereldse onderwerpen. De verscheidenheid aan
religieuze onderwerpen op de lantaarnplaten was vrijwel onbeperkt:
verhalen uit het Oude en het Nieuwe Testament, delen uit het leven van
Jezus en andere bijbelse figuren, typische zondagschool verhalen als
gelijkenissen, geïllustreerde liederen, allegorische vertellingen en
veel meer.
Een aantal organisaties maakte gretig gebruik van de toverlantaarn voor hun zendings- en missieactiviteiten. David Livingstone, de bekende
ontdekkingsreiziger en zendeling, beschreef de toverlantaarn eens als
zijn 'waardevolste reisgezel'. Op een keer wekten de beelden die hij de
plaatselijke bevolking van Afrika liet zien onverwachte gevoelden op:
een tafereel van Abraham die op het punt stond zijn zoon te doden joeg
de toeschouwers de stuipen op het lijf, waarna zij in paniek op de
vlucht sloegen.
Een bijkomend aspect bij het gebruik van de toverlantaarn door de missie,
was het laten zien van beelden van het missiewerk tijdens lezingen voor
het thuisfront, om daarmee de noodzakelijkheid van het missiewerk aan te tonen.
|
|
En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef
mij het deel des goeds, dat [mij] toekomt. En hij deelde hun het goed.
|
|
En niet vele dagen daarna,
de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver [gelegen]
land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.
|

|

|
En als hij het alles
verteerd had, werd er een grote hongersnood in datzelve land, en hij begon gebrek te lijden.
En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands; en die zond hem op zijn land
om de zwijnen te weiden. |
|
En hij begeerde zijn buik
te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien.
En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele
huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!
Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel,
en voor u; En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen.
|
|
|
En opstaande, ging hij
naar zijn vader. En als hij nog ver [van hem] was, zag hem zijn vader, en werd
met innerlijke ontferming bewogen; en [toe] lopende.....
|
|
......
viel hem om zijn hals, en kuste hem.
En de zoon zeide tot hem:
Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u, en ben niet meer
waardig uw zoon genaamd te worden.
|
|
|
Voor de bijbehorende
bijbelteksten werd gebruik gemaakt van de Statenvertaling. Tot deze vertaling werd besloten door de nationale Dordtse
Synode (1618–1619).
Het werk aan deze vertaling, dat bijna tien jaar duurde, werd geheel door de Staten-Generaal gefinancierd.
In 1637 verscheen de eerste druk van de Statenbijbel bij Paulus Aertsz. van Ravensteyn te Leiden.
De Statenvertaling is tot op de dag van vandaag nog in gebruik, zij het voornamelijk bij de
rechterflank van de reformatorische kerken.
Voor de meeste Nederlandse protestanten heeft de vertaling van het NBG de plaats van de Statenvertaling ingenomen.
|
|
Maar de vader zeide tot
zijn dienstknechten: Brengt [hier] voor het beste kleed, en doet het hem
aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; En
brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk
zijn.
Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was
verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn.
|
|
En zijn oudste zoon was in
het veld; en als hij kwam, en het huis genaakte, hoorde hij het gezang
en het gerei,
En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde, wat dat mocht zijn.
En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het
gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft.
Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem.
|
|
|
Doch hij, antwoordende, zeide tot den
vader: Zie, ik dien u [nu] zo vele jaren, en heb nooit uw gebod
overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn
vrienden mocht vrolijk zijn.
Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht
heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.
|
En
hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is
uwe. Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder
was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is
gevonden.
|

|
|
|