|
Vanaf
het allereerste begin heeft de toverlantaarn een sterke band gehad met de
dood en alles wat daarmee samenhangt. Van één van de uitvinders,
Athanasius Kircher, gaat al het verhaal dat hij ontrouwe kerkbezoekers de
stuipen op het lijf joeg door afbeeldingen van de duivel en de dood op de
papieren ramen van hun woningen te projecteren.
|
Steeds weer terugkerende onderwerpen
tijdens voorstellingen met de toverlantaarn waren spoken en geesten, kerkhofscènes
en skeletten.
In 1798 vertoonde de Belg Robertson in
Parijs met behulp van een aantal toverlantaarns, rook en rammelende
kettingen een griezelshow die hij fantasmagorie noemde.
Rond 1835 was er nog een roemruchte
geestverschijning te zien op de Oude Schans te Amsterdam. Dit fenomeen
trok avond aan avond veel kijkers, tot bleek dat een Britse student met
een toverlantaarn verantwoordelijk was voor de illusie.
|
|
DE GEEST.
De dagen der toovenaars en heksen
zijn gelukkig voorbij, en als in deze negentiende eeuw eenig verschijnsel
zich opdoet dat slechts eenigzins naar het wonderbare of het geheimzinnige
zweemt, is de wetenschap aanstonds daar, om op bekende en onomstootbare
gronden het geheim aan den dag te brengen.
Zoo ging het er ook mede toen eenige jaren geleden de zoogenaamde
"geest" zoo de algemeene aandacht gaande hield. Wij mogen deze
vertooning in het onderhavige werkje daarom vooral niet voorbijgaan, om
het groote aandeel dat de tooverlantaarn met zijn sterk licht op de
daarstelling heeft gehad.
De plaat over het titelblad doet zoo duidelijk de daarbij noodige
inrigting zien, dat eigenlijk elke verdere beschrijving, hoe men in dezen
tijd geesten kan oproepen overbodig mag geacht worden. Men ziet dat de
toeschouwers geplaatst zijn op eenigen afstand in eene bijkans geheel
donker gemaakte zaal. Vooraan is een tooneel waarop de acteurs bezig zijn.
Voor de toeschouwers nu zijn beide levende vertooners, terwijl inderdaad
de een slechts eene schim, een spook is, dat dan ook al eene schim komt en
gaat. De werkelijke levende witte "vrouw" staat onder het
tooneel, voor den toeschouwer verborgen door het gewone planken beschot
waar tegenaan het orchest is gezeten; de tooverlantaarn, van oxy-hydrogeen
licht voorzien, werpt zijne stralen met volle sterkte op haar, en deze
worden teruggekaatst naar het schuins staande ongefoeliede spiegelglas, om
even ver daar achter te verschijnen als de persoon of het beeld zelve er
voor staat. De levende tooneelspeler op het tooneel ziet inderdaad niets;
hoe goed nagebootst zijne uitdrukking van verwondering ook zijn moge, ziet
hij slechts in de ledige ruimte, daarheen waar men hem gezegd heeft dat de
verschijning zal komen, want alleen de toeschouwers zijn zoo geplaatst dat
zij bedrog voor waarheid kunnen aannemen.
Men ziet hieruit dat het eigendommelijke der vertooning gelegen is in het
verbinden van levende acteurs met zulke die slechts als visioen bestaan,
en in het volhouden der begoocheling; zoolang tot het stuk eischt dat het
spook zal verdwijnen. Dit verdwijnen van de schim geschiedt, eenvoudig
door het licht plotseling of langzaam uit te draaijen, naar de
omstandigheden dit vergen.
Voor eenen goeden uitslag der vertooning moet men op enkele kleinigheden
letten; b.v. als de geest den regter arm moet opligten, moet de persoon
onder het tooneel den linkerarm bewegen; zoo ook moet men bij de kleeding
opletten dat b.v. een zwaard aan de regter zijde moet hangen; dat hij bij
het schrijven zulks met de linkerhand doen moet enz. enz.
|
Bron: De Tooverlantaarn. De Wijze
van samenstelling en gebruik, alsmede De Kunst om een Geest op te wekken,
door een Spook. Amsterdam, C.L. Brinkman 1873.

Nederlandse vertaling van: The
Magic Lantern. How to buy and how to use it; also How to raise a Ghost,
by 'a mere Phantom'. London, Houlson and Wright 1870.
|